Na 4 jaar niet geweest te zijn, was ik afgelopen week op wintersport in Oostenrijk. Toen ik de eerste dag in zo’n stoeltjeslift boven een berg bungelde, wist ik weer helemaal waarom ik zo graag wilde.
Het blijft toch een wonder zo’n weekje leven in meters sneeuw. Verstild, kek, koud, sportief, strak blauwe hemel, miljoenen sneeuwvlokken alsof je in een sneeuwbol woont en een adembenemende natuur. Eigenlijk een exotische vakantie, want dit maken we niet meer mee in Nederland. Ik was in Zell am See, waar het meer bevroren was, met een pad door de dikke laag sneeuw, waarover je naar het dorp aan de overkant kunt wandelen. Skiën verleer je niet, de sensatie van het naar beneden zoeven en het leveren van een prestatie blijft.
En buiten de spierpijn, de warme chocolademelk, de glühwein, de dikke donsdekbedden, de beschilderde houten plafonds in het hotel, het verwarmde zwembad en de sauna waren er natuurlijk de lunchplekken op de diverse bergen. Van volgepropte-zelfbediening-vreetschuur met aan de lopende band spaghetti en patat tot en met de pareltjes met prachtig terras met houten stoeltjes en uitzicht op de witte wereld met binnen mooi geschilderde muren en houten Heidi-stoeltjes. Zo’n terras vind je bij restaurant Blaickner via de Sonnenalmbahn op de Schmittenhöhe.
Waar we speciaal naar toe skieden (want eerst moesten we het verdienen) voor overheerlijke borden vol Kaiserschmarren. Die bijzondere luchtige met eiwit opgeklopte stukjes pannenkoek met appelmoes en bessensaus. Zo’n gerecht dat het beste smaakt in de sneeuw in Oostenrijk. Maar het aller-, allerlekkerste daar waren de krokant en knisperend gebakken appelschijven, dik bestrooid met poedersuiker, vanillesaus en bosbessencompôte. To die for! De moeite waard om thuis na te maken!